nepal 2026

Kathmandu & 12 dagen trekking richting Tibet

Kathmandu vallei

Pokhara

upper mustang

Nepal – Van Kathmandu naar het voormalige koninkrijk Lo

Het idee voor deze reis ontstond een jaar eerder in Zuid-Amerika. Naast de mooie landschappen had ik daar vooral genoten van het fotograferen van mensen, iets wat ik in westerse landen veel minder doe. Ik dacht: wat zou een ander mooi land zijn waar je nog traditionele mensen en culturen kunt tegenkomen, alsof je in een andere tijd terechtkomt? Nepal!

En vrijwel meteen dacht ik aan Upper Mustang, de vallei van het voormalige zelfstandige Himalaya-koninkrijk Lo, waarover ik eerder had gelezen. Dit gebied, vlak bij de Tibetaanse grens, is cultureel gezien misschien nog wel meer Tibetaans dan Tibet zelf., om helaas hedendaagse politieke redenen.

Upper Mustang is een bijzonder beschermd gebied. Naast het reguliere Nepalese visum heb je een speciale vergunning nodig, die maximaal tien dagen geldig is. Ook mag je het gebied alleen met een gids bezoeken. Die regel je niet zomaar even via een website, dus dat werd nog een zoektocht. Wonderlijk genoeg vond ik uiteindelijk een gids via een eerdere gids van mijn buurvrouw, die in het Noord-Indiase deel van de Himalaya met de motor had gereden. Na wekenlang contact via WhatsApp (bij gebrek aan iets officiëlers) begon ik langzaam het vertrouwen te krijgen dat het allemaal wel goed zou komen.

De wandeltocht zou uiteindelijk twaalf dagen duren, waarvan tien dagen in Upper Mustang zelf. De overige dagen waren nodig om vanuit Lower Mustang het gebied te bereiken en er weer uit te komen.

Nepal is in meerdere opzichten een bijzonder land. Het is een van de weinige landen die nooit gekoloniseerd zijn geweest. De vlag bestaat, in tegenstelling tot vrijwel alle andere nationale vlaggen, niet uit een rechthoek maar uit twee driehoeken boven elkaar. En het heeft een bijzondere tijdzone: UTC+5:45, dus geen heel aantal uren verschil, maar 4 uur en 45 minuten.

Kathmandu

De reis begon met vier dagen Kathmandu. Of om precies te zijn: de Kathmandu-vallei, met de drie historische koningssteden Kathmandu, Patan en Bhaktapur. Tegenwoordig zijn die in de praktijk vrijwel aan elkaar vastgegroeid tot één grote aaneengesloten stad.

Een stad die zich in eerste instantie vooral kenmerkt door het chaotische verkeer, ondanks dat ik inmiddels toch wel wat gewend ben. Zelf rijden zou hier totaal geen optie zijn. Zelfs achter in een taxi zat ik regelmatig met gekromde tenen, kijkend naar de eindeloze stroom toeterende scooters en auto's die om iedere centimeter strijden. De belijning op de weg dient enkel als decoratie.

Oversteken lijkt een onmogelijke missie, maar met een nonchalant wuivend handje en vooral zonder enige twijfel in je looplijn dwingt men het verkeer tot stilstand of een ander stuk weg..

Maar Kathmandu is ook een fascinerende mix van religies en culturen. Soms waande ik me in India. In tegenstelling tot het overwegend boeddhistische Upper Mustang wordt Kathmandu grotendeels door hindoes bewoond.

Mijn hotel stond echter op een plek die perfect aansloot bij het latere deel van de reis. Vanaf het dakterras keek ik uit op Boudhanath: de enorme witte stoepa met de ogen op de toren die je overal lijken te volgen. Het is een van de grootste en belangrijkste boeddhistische stoepa's van Zuid-Azië. De stoepa vormt het hart van de wijk Boudha, die na de annexatie van Tibet ook wel 'Little Tibet' wordt genoemd, vanwege de vele Tibetanen die zich hier hebben gevestigd.

Op slechts een kwartiertje lopen ligt een van de belangrijkste heilige plaatsen van een heel andere religie: de Pashupatinath-tempel.

Binnen het hindoeïsme is dit een van de belangrijkste religieuze plaatsen van Azië. Hindoes worden hier gecremeerd, en die crematies vinden dag en nacht plaats. Sommige oudere hindoes komen hier zelfs naartoe om hun laatste levensdagen door te brengen. Volgens het geloof zullen zij, wanneer hun lichaam aan de oevers van de heilige Bagmati-rivier wordt gecremeerd en hun as door het water wordt meegevoerd, hun karma loslaten en worden herboren.

Het is een bijzondere plek waar je op korte afstand van elkaar allerlei rituelen rondom leven en dood kunt zien.

Een andere plek die ik bezocht was Bhaktapur. Vroeg in de ochtend was het plein tussen de tempels nog vrijwel leeg, toen ik werd verrast door een lang lint jonge monniken met hun aalmoezenkommen. Volgens de boeddhistische regels mogen monniken in principe geen eigen voedsel verbouwen, bewaren of kopen. Voor hun dagelijkse maaltijd zijn ze afhankelijk van wat de lokale gemeenschap hun schenkt. Tegelijkertijd biedt dat de gevers de gelegenheid om goed karma op te bouwen.

De straatjes rondom de tempels van Bhaktapur, vol ambachtelijke werkplaatsen en kleine voedselwinkeltjes, vond ik minstens zo interessant om te verkennen. Hetzelfde gold voor de volkswijken van Patan, waar mensen nog steeds bij openbare waterplaatsen de was doen, op loopafstand van het beroemde Durbar Square.

Een paar beelden uit de fotoreeks verdienen wat extra uitleg.

Vrijwel aan het begin van de serie zie je jonge Tibetaanse monniken die bij Boudhanath tijdens een debatsessie. Senioren kijken toe, samen met een kartonnen Dalai Lama bovenaan de trap.

Het heeft iets weg van een filosofisch forum uit de klassieke oudheid. Dit is bepaald geen rustige meditatiesessie, maar een levendig en soms behoorlijk luidruchtig gebeuren. Ik kwam aanvankelijk vooral op het geluid af.

Verderop in de serie zie je een monnik die bij de Boudhanath-stoepa een “Chaktsal” uitvoert. Daarbij legt hij de heilige ronde af door telkens een stukje vooruit te bewegen en zijn lichaam volledig op de grond te brengen. Met zijn lichaam meet hij als het ware de afstand af. Het fysiek zware ritueel, waarbij houten klosjes de handen beschermen, is een daad van nederigheid en devotie, bedoeld om het ego te overwinnen en negatief karma te zuiveren.

Het felle oranje van de bloemen en de gewaden is niet toevallig. De kleur staat zowel binnen het hindoeïsme als het boeddhisme symbool voor spiritualiteit, zuiverheid, vuur en de zon.

En dan zijn er natuurlijk de gebedsvlaggetjes die je overal in de Himalaya tegenkomt. Ook de kleuren hebben hun betekenis: blauw staat voor de hemel, wit voor de wind, rood voor vuur, groen voor water en geel voor de aarde.

Op de vlaggetjes staan heilige mantra's en afbeeldingen van het zogenoemde Windpaard. De wind doet het werk: telkens wanneer de vlaggetjes wapperen, worden volgens het geloof de gebeden en mantra's geactiveerd en als het ware door de lucht verspreid, om harmonie en geluk te brengen aan alle levende wezens. Naarmate de vlaggetjes door weer en wind vervagen, trekt het gebed steeds verder de wereld in.

Kortom, Kathmandu was een prachtig voorafje van het eigenlijke doel van mijn reis.

Op weg naar Upper Mustang

De tocht naar Upper Mustang zou beginnen vanuit de stad Pokhara. Na de hectiek van Kathmandu was mijn korte verblijf daar een subtropische oase van rust. Ik liet het eten en de tropische vruchtendranken aan het meer goed smaken, want ik wist dat de komende weken een stuk primitiever zouden worden.

Die dag hoorde ik dat de jeeptocht naar Upper Mustang niet door kon gaan. Door een uitzonderlijk heftige natte moesson waren er zoveel wegen beschadigd dat deze in oktober nog altijd niet hersteld waren. Ik had mijn reis weliswaar bewust in oktober gepland, buiten het moessonseizoen, maar daar had ik dus weinig aan.

De volgende dag zou ik daarom vliegen naar Jomsom, in Lower Mustang. Een soort bus met vleugels: een klein vliegtuigje met plaats voor twintig passagiers.

De precieze vertrektijd was onbekend. Die hing vooral af van één voorwaarde: het moest stoppen met regenen. Gelukkig gebeurde dat halverwege de ochtend al.

Na de korte vlucht en een lunch in het dorp begon vrijwel direct de wandeltocht, verder Upper Mustang in, in de richting van de Tibetaanse grens.

Twaalf dagen lopen

Ik zal niet beweren dat ik van iedere meter heb genoten. Sterker nog, op dag drie dacht ik serieus: waar ben ik aan begonnen?

Om te beginnen ben ik helemaal geen typische wandelaar, zoals de (weinige) andere mensen die ik onderweg in de overnachtingsplekken tegenkwam. Sterker nog, dit was mijn eerste meerdaagse wandeltocht ooit. Twaalf dagen om precies te zijn, met dagelijks zo'n 25 kilometer en een behoorlijk aantal beklimmingen en afdalingen. En de laatste meters voor het bereiken elk dorp lijken altijd het steilst..

Met mijn spijkerbroek en mijn 'fotorugzak-met-tandenborstel'-aanpak stak ik nogal af tegen de andere wandelaars, die er met hun perfect verzorgde wandeloutfits en bijbehorende accessoires een stuk professioneler uitzagen. Ik vermoed dat daar ook de nodige voorbereiding en training aan vooraf was gegaan.

Ik genoot niet zozeer van het wandelen op zich, maar vooral van waar het me bracht en wat ik daardoor te zien kreeg.Het kostte even moeite om mijn gids ervan te overtuigen dat niet iedere haast verticale “shortcut” automatisch mijn voorkeur had.

Na die tweede dag bleek echter dat ik bergop een stuk sneller liep dan de eerder genoemde wandelaars. Ook de hoogte van 4.300 meter bleek qua zuurstof eigenlijk prima te doen, zeker in vergelijking met de kilometer hoger gelegen gebieden waar ik het jaar ervoor in Bolivia en Peru. Het enige probleem waren de meest steile afdalingen. Afgezien dan van een kleine teen die door de blaren mijn grote teen werd. Maar hoe cliché het ook klinkt: het was uiteindelijk elke meter inspanning waard.

Wel was het de meest primitieve reis die ik tot dan toe had gemaakt.

Zo heb ik geleerd hoe gelukkig je kunt worden van een douche op je hotelkamer na vijf dagen zonder deze luxe. En dan ook nog met warm water! Stroom, water en internet waren geen vanzelfsprekendheden. Als het er al was, kon het op ieder moment weer uitvallen. En ook als het raam van je slaapkamer dicht zit kan het gordijn nog steeds wapperen..

Mijn gids Kali bleek een bijzonder aardige man. Ik had geen drager ingehuurd, zoals de meeste andere groepjes wel hadden. Maar zoals eerder beschreven had ik naast mijn camera en twee lenzen ook slechts het absolute minimum aan spullen bij me. We liepen dus met z'n tweeën dagelijks zeven tot negen uur over de bergpaden. Of met z'n drieën, want er liep regelmatig dagenlang een hond met ons mee. Omkijkend en wachtend als we pauze hielden en gezellig tussen ons in lopend de hoge passen over, op naar het volgde dorp..

Daarnaast zijn er een paar dingen die ik niet snel zal vergeten. Maar voor de zekerheid schrijf ik ze hier toch maar even op.

De jonge monniken bijvoorbeeld, die elkaar optilden om net zo lang te worden als ik. Of het voetballen met de kinderen op straat, waarbij ze iedere bal naar mij overspeelden. Misschien uit beleefdheid, of omdat ze werkelijk dachten dat ik heel goed kon voetballen.

Het was vooral bijzonder om twaalf dagen lang in zo'n andere wereld en een andere tijd te mogen rondlopen. De foto's vertellen dat verhaal beter dan mijn beperkte schrijfkunsten.